Het aanstellen van personeel is een aangelegenheid van organisaties voor kinderopvang zelf en wisselt per opvang. Wel controleert de GGD op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen of mensen werkzaam bij kindercentra beschikken over een verklaring omtrent het gedrag, of deze voorafgaand aan de start van de werkzaamheden is overgelegd aan de werkgever en of zij beschikken over een passende beroepskwalificatie.
Zie 1.
Wij verantwoorden ons met het Jaarverslag Wet kinderopvang jaarlijks vóór 1 juli aan de gemeenteraad en de verantwoordelijke minister over de activiteiten die wij het jaar daaraan voorafgaand hebben verricht op het terrein van het toezicht op en de handhaving van de kwaliteit van de kinderopvang. Wij verwijzen naar het Jaarverslag 2009 (RIS 173729) en de bijbehorende raadsmededeling waarin een uitgebreide toelichting is gegeven.
Er is onvoldoende ambtelijke capaciteit om alle kindercentra jaarlijks te controleren. Wij streven naar 100% toezicht per jaar en vervolgens daadwerkelijke handhaving van de door de GGD geconstateerde overtredingen. Wij hebben in de Beleidsreactie op beleidsdoorlichting toezicht en handhaving kinderopvang van 1 december 2009 (RIS 168716) voor 2010 de volgende prioriteitstelling bepaald:
In 2010 en 2011 heeft het rijk incidentele middelen ter beschikking gesteld. Deze middelen worden gebruikt om tijdelijk extra personeel ten behoeve van toezicht en handhaving te kunnen bekostigen. Vanaf 2012 zijn deze incidentele middelen niet meer beschikbaar als gevolg waarvan de inspectie- en handhavingcapaciteit aanzienlijk terugloopt.

De gemeente publiceert vastgestelde inspectierapporten op de gemeentelijke site waarmee deze openbaar zijn.
Indien de GGD overtredingen krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen constateert, legt zij deze vast in een inspectierapport en adviseert zij ons om al dan niet tot bestuursrechtelijke handhaving over te gaan. In de meeste gevallen nemen wij het advies van de GGD over en starten wij een traject gericht op herstel van de overtreding en/of, afhankelijk van de ernst van de overtreding, leggen wij een bestuurlijke boete op.
Deze vraag is lastig in zijn algemeenheid te beantwoorden. In de ministeriële Beleidsregels kwaliteit kinderopvang is vastgelegd hoe de beroepskracht-kind-ratio (hierna: BKR) in een groep op te vangen kinderen, dus niet in een kindercentrum, dient te zijn. De BKR is afhankelijk van de leeftijd van de op te vangen kinderen. Aan het begin van de dag, in de pauze en aan het eind van de dag mag afgeweken worden van de BKR en mogen er minder beroepskrachten ingezet worden. De wet staat toe dat in een klein kindercentrum, bestaand uit één groep kinderen, de hele dag slechts één beroepskracht aanwezig is. Er moet dan wel een andere volwassene in de buurt zijn om indien het nodig is, bij te springen.
Neen.
Ja. Meldingen en aangiften van mogelijke gevallen van kindermisbruik in genoemde instellingen worden door de politie steeds met grote zorgvuldigheid behandeld. In álle gevallen wordt nader onderzoek ingesteld.
Het voorkomen van misbruik van kinderen staat hoog op de bestuurlijke agenda. Met de komst van de Wet meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling is het de verantwoordelijkheid van het college erop toe te zien dat Wet Maatschappelijke Ondersteuning-instellingen (hierna: WMO-instellingen) een meldcode vaststellen en de kennis en het gebruik ervan nastreven. Inmiddels hebben 14 instellingen het protocol ondertekend. De Wet meldcode is echter alleen van toepassing op misbruik en mishandeling door ouders, vrienden en bekenden van het kind. De Wet meldcode is niet van toepassing op werknemers of vrijwilligers in voorzieningen waar kinderen naar toe gaan. De voorziening is zelf verantwoordelijk voor een werkinstructie of protocol. De gemeente kan het voor WMO-instellingen niet verplicht stellen maar kan dat wel stimuleren.
Voor de kinderopvang gelden specifieke regels. In de hierboven al genoemde ministeriële Beleidsregels kwaliteit kinderopvang staat dat alle kindercentra dienen te beschikken over een Meldcode Kindermishandeling. Tevens is vastgelegd aan welke voorwaarden een dergelijke meldcode dient te voldoen. De GGD controleert of een meldcode kindermishandeling aanwezig is en of deze voldoet aan de eisen. Voorts toetst de GGD of medewerkers op de hoogte zijn van de inhoud en of er naar gehandeld wordt. Indien geen meldcode aanwezig is, of deze niet voldoet, is het college verplicht tot handhaving over te gaan. Wij vinden het voldoen aan deze voorwaarden zo belangrijk dat wij een kindercentrum dat niet beschikt over een meldcode een bestuurlijke boete opleggen.
Er is voor zover bekend bij de gesubsidieerde instellingen, die bezocht worden door kinderen, sprake van een protocol. In geval van misbruik gaat er een signaal naar GGD, die in overleg met politie en OM handelt conform het protocol “maatschappelijke onrust bij zedenzaken”. In preventieve zin geldt dat de aanstelling van medewerkers bij organisaties die bezocht worden door kinderen, afhankelijk is van afgifte van een verklaring omtrent het gedrag. In tegenstelling tot de controle door ons hierop bij de kinderopvang hebben wij bij andere instellingen die bevoegdheid niet.
Zie de beantwoording van vraag 8.