In het NRC handelsblad is op 30 november een artikel gepubliceerd, waarin staat vermeld dat een veelgebruikte IQ-test in het onderwijs allochtone kinderen jarenlang heeft benadeeld. Jelte Wicherts en Conor Dolan van de Universiteit van Amsterdam hebben hier onderzoek naar gedaan. Uit het onderzoek is gebleken dat kinderen van allochtone afkomst worden onderschat en gemiddeld 7 IQ punten lager scoren. Dit verschil zit hem waarschijnlijk in taal en cultuurverschillen. Uit dit onderzoek blijkt verder dat leerkrachten met sterke vooroordelen jegens allochtone leerlingen, lagere verwachtingen van deze leerlingen hebben, wat van invloed kan zijn op het schooladvies voor vervolgonderwijs. Ook uit eerder onderzoek “Basisschooladviezen en etniciteit” van de gemeente Amsterdam blijkt dat basisscholieren van allochtone afkomst vaker dan autochtone kinderen een lager schooladvies krijgen dan hun score op de Cito-toets rechtvaardigt.
Ja.
In Den Haag wordt een IQ-score betrokken bij het oordeel om een leerling te verwijzen en toegang te verlenen tot bepaalde vormen van onderwijs, zoals het speciaal basisonderwijs en praktijkonderwijs. Maar deze is altijd onderdeel van een totaalbeeld dat van de leerling wordt gevormd. Naast IQ-scores worden bijvoorbeeld ook gegevens over leerprestaties, welbevinden en sociaal-emotionele ontwikkeling meegenomen.
NB: De in het artikel besproken test, de RAKIT, is verouderd en wordt in Den Haag door de scholen niet gebruikt om intelligentie te meten.
Ja. Er is echter op basis van dit onderzoek over het geheel gezien voor geen van de te onderscheiden (etnische) groepen systematische onderadvisering aangetoond.
In de Haagse Educatieve Agenda 2010-2014 ‘Haags talent erkend’ is opgenomen dat we het verschijnsel onderadvisering gaan onderzoeken. Er zijn echter ook signalen dat er wellicht vaker sprake is van overadvisering. Het onderzoek moet in ieder geval inzicht geven in de vraag of de advisering in Den Haag zodanig is, dat zoveel mogelijk leerlingen op het bij hen passende niveau in het voortgezet onderwijs terecht komen. Daarbij is er een relativering van de rol van de Cito-eindtoets bij de totstandkoming van een schooladvies voor het vervolgonderwijs op zijn plaats. Het advies van de basisschool is in eerste instantie gebaseerd op acht jaar observaties, leerresultaten, inzicht in motivatie, zelfstandigheid en doorzettingsvermogen en de thuissituatie van kinderen. De score op de Cito-Eindtoets biedt de school ondersteuning bij de opstelling van het advies en treedt niet in de plaats van het eigen oordeel en het leerlingvolgsysteem van de school.